Materiaal
Draag één paar dunne skisokken
Dikke of dubbele sokken geven drukpunten en juist koude voeten. Eén goede skisok is genoeg.
Elke dag andere tips op de homepage, en hier de hele verzameling.
Voor het eerst op wintersport? Begin hier
Materiaal
Dikke of dubbele sokken geven drukpunten en juist koude voeten. Eén goede skisok is genoeg.
Plannen
De ochtend is op harde, net geprepareerde pistes vaak het mooist. In de middag wordt de sneeuw zachter en zwaarder.
Snowboarden
Op vlakke stukken klik je alleen je voorste voet vast en duw je met de achterste. Kijk vooruit en houd kleine stappen aan.
In een goede bocht komt de meeste druk vanzelf op de buitenste ski. Je hoeft er niet op te drukken: blijf in balans en geef de bocht de tijd.
Stel je voor dat je een dienblad draagt. Zie je je handen niet meer, dan hang je waarschijnlijk te ver naar achteren.
Beweeg bij het begin van de bocht rustig mee, tot je schenen vanzelf de voorkant van je schoen raken. Zo blijf je boven je ski, zonder te duwen.
Kijk twee bochten vooruit. Je ritme wordt rustiger en je ziet andere skiërs eerder aankomen.
Draai vanuit je voeten en onderbenen, niet vanuit je schouders. Je bovenlichaam blijft dan rustig richting dal gericht.
Korte bochten houden je snelheid onder controle. Rond iedere bocht goed af voor je aan de volgende begint.
Wees op harde sneeuw geduldig en maak geen schokkende bewegingen. Rustig opbouwende druk houdt je kant in de sneeuw.
Gebruik je knieën en heupen als veren. Stijve benen geven elke klap door aan je hele lijf.
Een korte stokinzet geeft ritme en helpt je de bocht te starten. Het komt vooral uit de pols, niet uit je hele arm.
Rijd op een vlak stuk lange bochten zonder te schuiven. Kijk achterom: twee smalle lijnen betekent dat je goed op je kanten rijdt.
Een stand op ongeveer heupbreedte geeft balans. Je ski's tegen elkaar houden is niet nodig en maakt je juist minder stabiel.
Verdeel je gewicht in diepe sneeuw meer over beide ski's en maak ronde, rustige bochten met wat snelheid.
Draai eerst je hoofd en schouders de bocht in. Je board volgt je bovenlichaam, niet andersom.
Zak door je knieën en enkels en houd je rug recht. Zo blijft je gewicht boven je board.
Beginners leunen vaak op de achterste voet. Met meer druk op je voorste been stuur je makkelijker.
Vang je val niet op met gestrekte polsen. Bal je vuisten en val op je onderarmen. Polsbeschermers helpen vooral beginners.
Rijd even vlak op het board en rol dan langzaam naar de andere kant. Gehaast wisselen is de klassieke oorzaak van vallen.
Glij op één kant van links naar rechts de helling af. Zo leer je snelheid en kantcontrole voordat je echte bochten maakt.
Op vlakke stukken klik je alleen je voorste voet vast en duw je met de achterste. Kijk vooruit en houd kleine stappen aan.
Zet je board recht vooruit, je achterste voet op de stomp pad en je gewicht op de voorste voet. Kijk naar waar je heen wilt.
Beginners hebben vaak een lichte eendenstand het prettigst, met je voorste voet naar voren gedraaid en je achterste iets naar buiten.
Duw je voorste knie mee de bocht in. Zo begint het board te draaien zonder dat je met je schouders hoeft te gooien.
Vroeg en laat in het seizoen ligt de sneeuw vooral hoog. Kijk daarom naar de sneeuw op de top én de hoogte van het dal.
Noordhellingen krijgen minder zon en houden de sneeuw langer goed. Begin in het voorjaar daar en wissel later naar het zuiden.
Ligt die onder het dorp, dan blijft sneeuw overal bevroren. Ligt hij boven de top, dan wordt de sneeuw zwaar en nat.
De ochtend is op harde, net geprepareerde pistes vaak het mooist. In de middag wordt de sneeuw zachter en zwaarder.
Rond kerst, carnaval en de voorjaarsvakanties is het drukker. Buiten de schoolvakanties zijn pistes rustiger en vaak goedkoper.
Een grote pas is niet altijd nodig. Kijk hoeveel kilometer je op een dag echt rijdt en welk gebied bij je niveau past.
Een gepland openingsweekend betekent niet dat alle liften draaien. Kijk vlak voor je vertrek op de site van het gebied wat open is.
Bij sneeuw of mist geven bomen langs de piste houvast voor je ogen. Op open hoogvlaktes zie je dan bijna geen reliëf.
De skiër onder je heeft voorrang. Kijk omhoog voordat je start en stop niet op plekken waar anderen je niet zien.
Een helm kan je beschermen bij een val of botsing. Vervang hem na een flinke klap, ook als je geen schade ziet.
Buiten de piste is er lawinegevaar. Ga alleen met uitrusting, opleiding en het actuele lawinebericht, of neem een gids.
Neem je pauze aan de rand van de piste en nooit achter een knik. Wie van boven komt, moet je op tijd zien.
In de bergen en op sneeuw is de uv-straling sterk, ook door bewolking heen. Vergeet je lippen en je oren niet.
Laat op de dag ben je moe en worden de pistes slechter. Voel je dat je benen op zijn, neem dan de lift omlaag.
Op hoogte en in droge lucht verlies je meer vocht dan je denkt. Neem tussendoor water en wees voorzichtig met alcohol op de piste.
Dikke of dubbele sokken geven drukpunten en juist koude voeten. Eén goede skisok is genoeg.
Te strakke gespen knellen de doorbloeding af. Sluit ze stevig, maar zodat je tenen nog kunnen bewegen.
Een goed afgestelde binding gaat op tijd los. Laat dat doen in een skiwinkel met je gewicht, lengte, leeftijd en niveau.
Veeg na het skiën het vocht van de kanten en laat je materiaal drogen, ook je schoenen. Dat voorkomt roest en vieze luchtjes.
Scherpe kanten geven grip op harde sneeuw, wax laat je beter glijden. Doe het minstens voor het seizoen en bij intensief gebruik vaker.
Een basislaag, een warme tussenlaag en een jas met winddichte buitenkant. Zo kun je makkelijk iets uittrekken als het warmer wordt.
Een donkere lens is fijn bij zon, een lichte lens bij wolken en sneeuw. Goed zicht helpt je reliëf eerder te zien.